
‘U die via duizend wegen ons hier samen bracht’, zingen we na de maaltijd. Het is zondagavond en we zitten met ons twaalven aan tafel. Inderdaad, over duizend wegen bij elkaar gebracht: zes Eshuisjes uit Klarenbeek, Amélie uit Klagenfurt en wij vijven via Lieren uit Zmuln. Onze vrienden Leon & Gerda brengen met hun kinderen een deel van de Hollandse herfstvakantie bij ons door. Leon arriveert met eigen auto; Gerda en de kinderen komen per trein aan.

Hauptbahnhof Klagenfurt, zaterdagmiddag 15 oktober 2016. Daar zijn ze!
We genieten van hun aanwezigheid, van de gezamenlijke kerkdienst, van een prachtige wandeling op de berg achter ons huis, van samen praten, lachen en eten. (Behalve dan van die monchoutaart met… knoflook!)

Wandeling op de berg achter ons huis


Als we op de laatste avond dat de Eshuizens in Oostenrijk zijn aan tafel zitten, constateren we dat we exáct twee maanden geleden ook gezamenlijk zaten te eten: toen bij hen in de tuin, terwijl het ónze laatste avond in Nederland was (zie eventueel blog 34).
Rachel en Christa, dolblij dat ze elkaar weer zien, gaan samen twee dagen naar Rachels school en spelen uren bij het appartementenhuis waar ze -zelfs in de stromende regen- een compleet decor inrichten van alle rommel die klaar staat voor de container.
Tsja, die stromende regen… Het weer werkt niet mee. Nat en grijs is het. Nat en grijs blijft het, op een enkel uur na. Van de schitterende bergen rondom valt weinig te zien. (Er zit niks anders op, lieve mensen, jullie zullen terug moeten komen als de zon weer schijnt!) Leon & Gerda wijden er onderstaand blog aan:
Ze waren ons beloofd… die gouden bergen! ‘Geweldig mooi!’ ‘Dat moet je zien!’ ‘Als ik uit de supermarkt stap, kijk ik uit op de bergen, ik blijf me verwonderen…’ Dat leek ons ook mooi! We wilden het graag zien! Toen wij uit de supermarkt stapten, konden we niet verder zien dan de weg ervoor. Niet iets om je over te verwonderen…
‘In Slovenië zijn ze ook, die prachtige bergen! Die moeten jullie ook gaan zien! Stap net als ons op een mistige regenachtige dag in de auto en rij gewoon de grens over. Mooi!’
Wat hebben we ons verwonderd! En deze bergen zijn echt van goud. Prachtig gekleurd door de herfst in geelgoud en roodgoud. Maar op de top, 2000 meter hoog, waar niets meer groeit zagen we…. NIETS. De mist leek ons te achtervolgen.
Op weg, vanuit de bergen naar ons vlakke land, zagen we ze af en toe, die bergen. Maar
vaak zaten ze verstopt achter prachtige witte en grijze wolken die ons
(gelukkig) ook één keer verrasten… We hadden sneeuw!
Het ging helaas snel bergafwaarts en toen kwamen we wéér van de sneeuw in de drup. Hier liggen we dan, met z’n zessen, in een hotel in een klein oud lieflijk stadje in Duitsland, toch nog nagenietend van ons avontuur in de bergen.
Dromen gaan we… Van die gouden bergen!





Bijna boven (op 2000 m)

Hoera, op de top! Eh… hoera?
Wat kun je je nog meer wensen? Tussen de boomstammetjes van de hoge jagershut waar we in zitten, kijken we naar het panorama dat zich voor ons uitstrekt: De maïsvelden, als lappendekens de heuvels toedekkend tegen de komende winter. De smalle bochtige weggetjes slingeren door de avondschemering totdat ze achter de heuvels verdwijnen. In de verten zijn de lichten van het kerkje al ontstoken. Ergens in de bossen blaft een ree. Deze avond zijn Maria en Matthias, hopend een paar reeën te spotten, hoog en droog in een oude jagershut gaan zitten. Bij de rand van het maïsveld is nog geen beweging te zien. Ergens op een smal landweggetje wandelt een eenzame voorbijganger, genietend van de avondschemering. Doorkijkend op deze voorbijganger, merken ze opeens dat het een bekende is. Hier en daar loopt hij naar de berm toe, snuffelt even, en tilt zijn poot op. Hij is in het wit gekleed, loopt op vier poten, en blaft.





































Terwijl Jeannette loopt te genieten van het historische stadje Sankt Veit, waar al snel de morgenzon op de oude gevels valt, maken Maria en Matthias kennis met hun mentrix en hun klas. Allebei gaan ze naar de derde, zodat ze elkaar thuis kunnen helpen, heeft de directeur besloten. Maar om te voorkomen dat ze met elkaar Nederlands gaan praten, zitten ze niet in dezelfde klas. Na slechts één uurtje, klokslag kwart voor negen, zit deze eerste schooldag er alweer op, maar broer en zus weten genoeg: Maria vindt het ‘niet echt leuk’, Matthias, die in Nederland ook al liever ging vissen dan dat-ie op school zat, vindt het hier zelfs ‘vreselijk!’ Hij heeft geen woord van het Karinthisch verstaan en gaat ‘er ook nooit een woord van verstaan.’ Het vooruitzicht dat ze de volgende morgen met de klas moeten gaan wandelen, maakt de toestand er niet beter op.