Yes, ik mag op de laptop! Kan ik ein-de-lijk mijn avontuur met de afgehakte poten van me afschrijven! Dat had wel wat voeten in aarde, want ik mocht eigenlijk niet met m’n poten op het toetsenbord. ‘Kan nooit goed zijn voor de computer’, zei het vrouwtje. ‘In elk geval blijf je van mijn nieuwe laptop af’, waarschuwde de baas. Na lang aandringen en veel pootjes geven, mag ik dan toch een bijdrage typen.
door Tobias Wilbrink (7)
Als je als pup wordt geboren, verwacht je een voorspelbaar hondenleven te gaan leiden: brokjes eten, uitgelaten worden, pootjes geven, dat soort dingen. Ik hoopte er het beste van, kort nadat ik aan ‘de Goate’ in Vaassen (Gelderland) ter wereld was gekomen.
Een paar weken later kwam er een klein, blond meisje met haar zusje, haar broertje en haar ouders op de boerderij. Ze wees naar mij en riep: ‘Ikke wil die witte!’ Ze kreeg haar zin…
Best een toffe familie bleek het te zijn. Twee keer per dag gaven ze me een bak vol brokken, vier keer per dag namen ze me mee naar het voetbalveldje achter de kerk. Daar ontmoette ik Duke, Pacho, Dribbel en Pebbles. Aparte lui. Die drukke Duke, bijvoorbeeld, had z’n baas zover gekregen dat-ie elke week zijn tanden poetste. En de reusachtige Pacho plaste de over schoenen van zijn baas. Dribbel, hoe klein-ie ook was, liep het snelst van alle honden in Lieren. Pebbles was de vrouw aan wie ik mijn hart verloor, ook al zei mijn baas dat ze een lelijk mokkel was. De vrouw van wie ik nog altijd van droom… De vrouw die nu onbereikbaar is…
Want nu woon ik in Oostenrijk. We zijn geëmigreerd, zoals de familie dat noemt. Wat het precies betekent, weet ik niet, maar op het voetbalveldje kom ik niet meer en Pebbles zie ik niet meer… Vaak droom ik nog van haar. Zie ik in mijn slaap haar mooie, bruine ogen, haar onverschrokken manier van doen – en ik ruik haar geur.
Toch is het hier ook goed, heel goed zelfs. Ik heb alle ruimte. Zwemmen doe ik in het meer, als het tenminste niet bevroren is zoals nu. Ik ren door de bossen achter het huis, jaag reeën achterna en graaf naar mollen. Mijn zwerftochten schijnen niet zonder risico te zijn. ‘De jager schiet op alles wat beweegt’, zegt mijn baas tegen het vrouwtje. ‘Er wordt gestroopt met vallen en strikken.’
Daarom mag ik niet alleen het bos in. Maar als ik de kans krijg, smeer ik ‘m. De laatste weken levert dat een hoop consternatie op. Zodra ik -terug van mijn zwerftochten- het huis nader, begint het gegil al: ‘Óóóóh! Tóóóób! Waar heb je gezéten?! Bah, wat ben je víes! Fóei, stoute hond!’
Zodra ik dan dichterbij kom en trots mijn nieuwe buit wil tonen, schreeuwen ze nog harder. ‘Óóóóh, een póóóót! Een varkenspoot! Bah, viezerik! Foei, stoute hond! Hoe kom je daar nou aan?!’
Met de reeënpoten die ik thuisbreng, is het hetzelfde verhaal. Gegil, gegriezel en een hele lading vragen.
‘Zeg’, hoorde ik de baas vanmiddag zeggen, toen ze allemaal voor de zoveelste keer hoofdschuddend om me heen stonden voor het huis. ‘Zou Tobias soms weer naar zijn vrienden bovenop de berg gaan, iedere keer dat hij ontsnapt? Die mensen die hier vorig jaar langs wandelden en vertelden dat Tobias hen soms opzocht en dat ze hem dan ‘wat lekkers’ gaven?’
‘Da’s een half uur lopen’, peinsde Matthias. ‘Klopt wel zo ongeveer met de tijd dat Toob telkens weg blijft. Ruim een uur…’
Ik kauwde genietend op mijn varkenspoot.
‘De modderpoel ligt ook op die route’, bedacht het vrouwtje. ‘Daar gaat hij dan op de terugweg blijkbaar even zwemmen.’
Bij het woord zwemmen keek ik op, ik kwispelde even. Zwemmen is een hobby van me. Vooral in smerig water.
‘Wat een lol zullen die lui hebben’, grijnsde de baas, ‘iedere keer als ze hem weer met een andere poot naar huis terug sturen…’
Ik zette mijn eigen modderige poot op de varkenspoot en trok met een flinke ruk een stuk vel eraf.
Omdat ik was weggelopen en ‘vies’ geworden was, moest ik nog een poos buiten op de bevroren grond blijven zitten. Kan mij het schelen. Die varkenspoot heb ik toch maar mooi weer in de wacht gesleept. De reeënpoten ook. Hoe en waar vandaan? Dat blijft mijn geheim!
En ik verheug me al op mijn volgende ‘vangst’. Ben benieuwd van welk beest de poot dán zijn zal…








De oude mevrouw Ragossnig is overleden. Samen met haar man runde ze hier in Zmuln maar liefst 45 jaar lang Haus Einsamkeit, totdat hij – in 2007 – plotseling stierf. Ruim negen jaar leeg stond het vakantieoord vervolgens leeg, waarna wij het kochten en het de naam Freudenhof gaven. Nu beide oprichters er niet meer zijn, gaat deel één van de kronieken voorgoed dicht. De familie is verdrietig, maar laat ons ook regelmatig weten blij te zijn dat ‘Zmuln’ weer leeft. Deze week kregen we van hen een bijzonder borduurwerk, dat bij mevrouw Ragossnig in huis hing. Voor ons een prachtig aandenken aan de eerste (bijna) halve eeuw Freudenhof.


































Met enige tegenzin kruipt Matthias uit de tent in het bos, waar hij de zomernachten doorbrengt. Om acht uur wordt-ie bij de kapper verwacht. Jeannette is zijn lotgenoot. Harold kan hen brengen, maar moet meteen door naar z’n werk, dus de terugweg zullen de twee kappersklanten te voet afleggen.