Het giet als we vanaf de camping naar Karinthië vertrekken, de auto maakt een verdacht geluid en ‘Zmuln’ blijkt niet bekend te zijn bij het navigatiesysteem.

De tocht is er nauwelijks minder mooi om. Ergens middenin de Felbertauern belanden we van het ene op het andere moment in een sneeuwwitte wereld, alsof we via de betoverde kleerkast van C. S. Lewis regelrecht Narnia binnenrijden. (Reden voor Racheltje om te bekennen dat zij de achterkant van haar kleerkast ook weleens heeft ‘uitgeprobeerd’.)
Drieënhalf uur na vertrek kopen we aan de Wörthersee een gedetailleerde kaart van Karinthië. Waar Zmuln evenmin op blijkt te staan…
Gelukkig ontdekken we wel de namen van naburige gehuchtjes én een blauwe vlek die de Zmulnersee moet zijn. We zijn vijf kwartier te vroeg en besluiten eerst naar het huis te rijden om vandaaruit de omgeving alvast te verkennen.
Dat laatste lukt prima, het eerste niet. Een uur later dolen we nog steeds rond door ‘de omgeving’: een sprookjeslandschap – ondanks het grijze weer – met glooiende akkers, beboste bergen, kleine boomgaarden vol bloesem, vredige dorpjes, romantische kerkjes en kapellen, oude boerderijen, kastelen en ruïnes en vooral: géén Zmuln.
Eén keer wijst een bord ons de weg: Zmuln zou 2 kilometer achter ons liggen. We keren en rijden terug in een auto die steeds harder rammelt en verdacht trilt als we even stilstaan. Geen Zmuln. De tijd tikt door. 13.45 uur. Over een kwartiertje verwachten de makelaar en de eigenaar ons bij het pand.
Er loopt een oude boer met een kruiwagen langs het weggetje.
‘Kunt u ons zeggen waar Zmuln ligt?”
‘Wát?’
‘Weet u misschien hoe we in Zmuln komen?”
‘Waar???’
Jeannette duikt pen en papier op en schrijft de naam neer.
‘Ooooooooh Zmúln!’ roept de man op een toon van zeg-dat-dan.
Vanaf de achterbank klinkt gesmoord gelach.
‘Und er hat auch etwas’, constateert de boer droog, terwijl hij naar de motorkap van onze rammelende wagen gebaart. Dan vertelt hij dat we moeten keren, rechtsaf slaan en een kilometertje later nog eens rechts, da’s alles.
We rammelen weer terug. Achterin gieren de meiden: ‘Ooooooooh Zmúln!’ Dorien is de enige die het kan uitspreken zoals de boer deed.
13.55 uur. Geen Zmuln. Harold besluit de makelaar te bellen. We moeten richting Zweikirchen rijden, legt hij uit, totdat we rechts in het dal een donker veld zien, daar naar beneden en dan de berg op. Hij rijdt ons wel even tegemoet.
Daar gaan we weer, over de landweg die we nu zeker een stuk of zeven keer gehad hebben. In het dal rechts naast ons strekt zich een zwarte akker uit. Aan de overkant komt een auto naar beneden. Al snel staan we neus aan neus met makelaar Heinrich. ‘Rij maar door!’ roept hij uit zijn raampje. ‘Iets verderop zie je het vanzelf. Ik keer even, een eindje verderop.’
We pruttelen de helling op, een boslaantje in en dan staat daar een kolossaal appartementenhuis met ervoor de makelaarsvrouw, die we inmiddels kennen, en een oudere heer, die de eigenaar moet zijn. Tussen de bomen daarboven schemeren stukjes van een houten huis.
Eindelijk uitstappen.
Handen schudden.
Even op Heinrich wachten.
“Kon je het niet vinden?” informeert Harold meelevend, als de makelaar twee tellen later ook arriveert.

DSC_0077DSC_0031